Hoe ga je het beste om met druk gedrag en ADHD?

Werkplaats zoekt antwoorden

De Academische Werkplaats ‘ADHD en druk gedrag’ zoekt naar manieren om kinderen met ongeconcentreerd, druk en impulsief gedrag te begeleiden en ondersteunen vóór dit gedrag escaleert. Met dit onderzoek brengt de werkplaats theorie en zorgpraktijk dichterbij elkaar. Betty Veenman, coördinator van ‘ADHD en druk gedrag’, vertelt over de voorlopige successen en uitdagingen van het project. ‘Soms lopen we tegen onverwachte vragen aan.’

In de periode tussen 2004 en 2012 is het aantal kinderen dat medicatie krijgt vanwege druk en ongeconcentreerd gedrag verviervoudigd. Het aantal diagnoses is echter in veel mindere mate (met een derde) is toegenomen, vertelt Betty Veenman. ‘Hieruit blijkt dat er veel medicatie toegediend wordt, terwijl dat niet in alle gevallen nodig is. De Gezondheidsraad adviseert om éérst gedragstherapie te proberen bij milde ADHD, en pas bij ernstige ADHD medicatie toe te passen. Zelfs dan moet nog steeds voorzichtig met medicatie omgegaan worden en is regelmatige controle nodig om na te gaan of de medicatie nog effectief is.’

Themagroepen en onderzoeksprojecten
Als druk gedrag en ADHD eerder in beeld komen en kinderen hier begeleiding bij krijgen, hoeft dit gedrag minder vaak te escaleren en zal intensieve zorg (zoals medicatie) minder snel nodig zijn. Veenman: ‘Dit is het uitgangspunt van de academische werkplaats. Onze slogan is dan ook: “Onnodige zorg vermijden, zonder onderbehandeling te riskeren”. Met drie verschillende onderzoeksprojecten en vier themagroepen streven we ernaar dit doel te behalen.’

Zo is het, aldus Veenman, belangrijk om te zorgen dat zorgexperts (zoals zorg- en onderwijsprofessionals, beleidsmedewerkers en ervaringsdeskundigen) voorlichting krijgen over ADHD en druk gedrag, over niet-medicamenteuze hulp (zoals gedragstherapie thuis en op school) én over medicatie (bijvoorbeeld lange termijn effecten). Tegelijkertijd moet de probleeminventarisatie en diagnostiek voor dit gedrag geoptimaliseerd worden. ‘Voor al deze onderwerpen zijn de afzonderlijke themagroepen in het leven geroepen. Deze bevorderen kortdurende en minder intensieve zorg, en zorgen dat intensieve, langdurige en/of invasieve behandelingen alleen worden ingezet als het echt nodig is.’

Naast de vier themagroepen zijn er drie onderzoeksprojecten waarin wordt gekeken naar de effectiviteit van een bepaalde vorm van hulp. Deze projecten toetsen de praktijk, waarvan de resultaten vervolgens tussen de themagroepen gedeeld worden. Daarnaast is er een overkoepelende focusgroep van ervaringsdeskundigen: basisschoolkinderen (vanaf 8 tot en met 12 jaar), middelbare scholieren, en ouders van kinderen met druk of ongeconcentreerd gedrag. Alle themagroepen putten uit deze focusgroepen: klopt hun visie met de praktijk en wat moet er volgens ervaringsdeskundigen veranderen?

Liedje zingen
Hoe zien de onderzoeksprojecten er in de praktijk uit? ‘We hebben een aantal zelfhulpprogramma’s’, vertelt Veenman. Één daarvan is het programma “Druk in de klas”, dat onderdeel uitmaakt van de themagroep Niet-medicamenteuze hulp. Dit is een leerkrachtprogramma waarbij positief gedrag van kinderen wordt gestimuleerd volgens de basisprincipes van de gedragstherapie: heldere klassenregels en een beloningssysteem (zowel individueel als klassikaal).’ Dit laatste houdt in dat de leraar met de leerling bepaalde doelen stelt. ‘Een leerling moet bijvoorbeeld leren om zijn vinger op te steken als hij iets wil zeggen. Met een stickerkaart wordt bijgehouden hoe dit gaat: als de leerling tijdens bijvoorbeeld een klassikale rekenuitleg zijn vinger opsteekt voordat hij een vraag stelt, volgt uiteindelijk een beloning die vooraf samen met de leerling is bepaald.’ Meestal’, vervolgt Veenman, ‘zijn dit niet-materiële dingen: koffie mogen halen voor de juf, voorin de rij naar de gym mogen lopen, of een liedje voor de klas mogen zingen. Zulke beloningen werken het best.’

Complementair aan dit leerkrachtprogramma heeft de werkplaats een zelfhulpprogramma voor ouders ontwikkeld, met een werkboek en een online omgeving. ‘Ouders verschillen onderling veel meer in opleidingsniveau dan leerkrachten. We bieden ze daarom intensieve online oefeningen met praktische voorbeelden, zodat ze de technieken thuis relatief makkelijk kunnen toepassen.’

Daarnaast is er het onderzoeksproject: “Druk en dwars”, dat onderdeel uitmaakt van de themagroep Voorlichting. Dit project wil allereerst de voorlichting omtrent ADHD verbeteren. Daarnaast is het doel van dit project om te voorkomen dat kinderen te snel een ADHD-classificatie krijgen. ‘Bij zes verschillende gemeenten proberen we op een laagdrempelige manier leerkrachten en ouders op weg te helpen. Dit doen we met voorlichtingsbijeenkomsten die ingaan op manieren om ADHD-gedrag te normaliseren en bijvoorbeeld door het leerkrachtprogramma ‘Druk in de Klas’ in te zetten. Heel veel kinderen vertonen dergelijk gedrag, en dat is niet meteen erg. Ouders kunnen moeite met dit gedrag hebben, en ook dat is niet erg. Maar we moeten wel kijken naar wat ze nodig hebben, en wat wij ze kunnen bieden.’ Tenslotte doet de Proefstopstudie onderzoek (onderdeel van de themagroep ADHD-medicatie) naar de lange termijn effecten van medicatie en naar het belang van proefstops om zo objectief te kunnen evalueren of medicatie nog nodig is.

Stoornis of gedrag?
De vier themagroepen nemen de resultaten uit deze onderzoeksprogramma’s mee en verzorgen bijeenkomsten voor experts en voor ervaringsdeskundigen. ‘Ze bespreken daarin de onderzoeksresultaten, problemen waar men in de praktijk tegenaan loopt en koppelen deze terug naar alle betrokkenen. Intussen zoeken ze naar manieren om de opgedane kennis zo effectief mogelijk te verspreiden onder zorgprofessionals en ouders. Bij al deze activiteiten, waarvan de resultaten onderling steeds worden uitgewisseld, werkt de werkplaats nauw samen met allerlei zorgorganisaties en gemeenten.’

Gedurende het programma loopt de werkplaats soms tegen essentiële vragen aan, vertelt Veenman. ‘Sommige onderzoekers vinden bijvoorbeeld dat “ADHD” in de media zo’n negatieve lading heeft gekregen, dat ze liever de term “druk gedrag” gebruiken. Want is ADHD een ‘stoornis’ of ‘slechts’ gedrag? De termen die men gebruikt in bijvoorbeeld voorlichtingsmateriaal en krantenartikelen, heeft invloed op de manier waarop men naar druk gedrag en ADHD kijkt en hoe men ermee om wilt gaan. Mensen moeten druk gedrag niet alleen als een probleem zien van een kind, maar moeten weten dat het structureren van de omgeving (bijvoorbeeld door ouders en leerkrachten) ook echt kan helpen om druk gedrag te verminderen. Hoewel de onderzoekers binnen de werkplaats zelf het hierover eens zijn, ontstaan er onderling regelmatig discussies over de juiste benadering en het kiezen van de juiste woorden. Dit valt nog niet mee gezien het grote aantal verschillende partijen met allemaal hun eigen achtergrond, meningen en gevoelens over dit soort kwesties.’

Maar het mooie van de werkplaats is, aldus Veenman, ‘dat de samenwerking met onderzoekers, experts, professionals, ervaringsdeskundigen en andere betrokkenen er júist voor kan zorgen dat we alle verschillende visies samenbrengen en kunnen proberen om verschillen te overbruggen. In de focusgroep met ervaringsdeskundigen kunnen we nagaan hoe mensen zelf hun drukke of ongeconcentreerde gedrag ervaren en waar zij in de praktijk tegenaan lopen. Kinderen en jongeren laten we via fotorapportages en vlogs hun ervaringen delen. In de verschillende themagroepen kunnen we deze ervaringen meenemen. Uiteindelijk hopen we op deze manier de kloof tussen theorie en praktijk (verder) te kunnen dichten, en antwoord te geven op de vraag hoe we druk en gedrag en ADHD het beste kunnen benaderen en ermee om kunnen gaan.’